Maand: juli 2026

  • O Wapenbroeder!

    O Wapenbroeder!

    Waarde lezer(es),

    in de vorige uitgave van Nieuws Onzer Taal (nr. 52) speelde ik met iets meer naamvalsbeziging dan gewoonlijk. Doch ik blijf zoeken naar een evenwicht waarbij de zin een verheven gesteldheid geniet in plaats van een tergende – sierlijkheid zonder loomheid.

    Tijd voor uitleg, tijd voor naamvallen.

    Uitzonderlijk verzorgde schrijftaal

    Toen naamvallen een grotere rol kregen op het Zaakwoordenboek der Lage Landen, had ik deze aanhaling op WikiWoordenboek in gedachten:

    “Het verdwijnen van deze [verbogen] vormen is geleidelijk gegaan en niet voor alle vormen in hetzelfde tempo. Het stelselmatig toepassen ervan lijkt bovendien altijd meer iets uit zeer verzorgde schrijftaal te zijn geweest.”

    WikiWoordenboek

    Gelet op de ingewikkeldheid onzes naamvalsstelsels is dit een begrijpelijke aanmerking, doch het is bij onze oosterburen niet verloren gegaan, zodat er grond is om te stellen dat het in beginsel wel kan.

    Wat de werkelijke reden ook moge zijn, ik heb dit denkbeeld nooit uit mijne gedachten kunnen bannen: ‘zeer verzorgde schrijftaal’. Dit is namelijk het ware doel. De verwezenlijking des volmaakten Nederlandsen zins, ofwel het streven daarnaar.

    (Aangezien “zeer” een kwalijke gevoelswaarde met zich meebrengt, laten wij liever zeggen: uitzonderlijk verzorgde schrijftaal.)

    Elke naamval bij name

    Om te beginnen, wat is dan die naamval? Om mijn eigen zaakwoordenboek kortweg aan te halen:

    “Elk der onderscheiden gedaanten welke een naamwoord, voornaamwoord of bijvoeglijk naamwoord aanneemt naar gelang zijner betrekking binnen den zin.”

    Zaakwoordenboek der Lage Landen

    Of anders gezegd: het betreft hoe naamwoorden van vorm veranderen naar den naamval die van toepassing is.

    Het voordeel der toepassing is dat naamvallen enen nauwkeurigere en bondigere zin bewerken. Het nadeel is dat, als men hen niet kent, de zin haast onbegrijpelijk kan overkomen.

    Zie hieronder een opsomming aller naamvallen. Hoewel de eerste, tweede en vierde nog bekend zijn, telt de lijst niet minder dan acht. Van dezen dient te worden gemeld dat de zesde, zevende en achtste als het ware mijne uitbreidingen op het Nederlands zijn, daar het Germaans deze naamvallen reeds vroeg met andere had doen samenvallen.

    1. De eerste naamval (nominatief) duidt het onderwerp aan (datgene waarover de zin iets zegt).
    2. De tweede naamval (genitief) drukt bezit, oorsprong of betrekking uit (zoals bijvoorbeeld des konings, der vrouw).
    3. De derde naamval (datief) wijst het meewerkend voorwerp aan (degene aan wie iets geschiedt of ten deel valt).
    4. De vierde naamval (accusatief) benoemt het lijdend voorwerp (datgene waarop de handeling rechtstreeks betrekking heeft).
    5. De vijfde naamval (vocatief) is de naamval der aanspraak, waarmee men iemand rechtstreeks toeroept.
    6. De zesde naamval (ablatief) duidt herkomst of verwijdering aan: het punt waarvan iets zich verwijdert of waaruit iets voortkomt.
    7. De zevende naamval (locatief) bepaalt de vaste plaats waar iets zich bevindt of geschiedt.
    8. De achtste naamval (instrumentalis) benoemt het middel of werktuig waarmee een handeling wordt verricht.

    De buiging in het werk

    Iedere naamval bespreken met een rist aan voorbeelden zal dit schrijfsel langer maken dan nodig, laat ons derhalve iedere naamval in enen zin voorkomen:

    „O wapenbroeder, de vorst zendt den bevelhebber de overlopers des vijands met verzegelden brieven van den velde naar de legerplaats te Leiden.”

    In hedendaags, onverbogen Nederlands luidt de zin als volgt: „Wapenbroeder, de vorst stuurt de overlopers van de vijand met verzegelde brieven van het veld naar de legerplaats in Leiden, aan de bevelhebber.”

    Als wij de voorbeeldzin ontleden, voor iedere naamval, onderscheidenlijk:

    1. “de vorst” (de vorst is degene die de handeling van het zenden verricht. Het lidwoord blijft onverbogen: de)
    2. “des vijands” (het zijn de overlopers van den vijand. Het mannelijk lidwoord wordt ‘des’ en het zelfstandig naamwoord krijgt de uitgang ‘-s’)
    3. “den bevelhebber” (de bevelhebber is de ontvanger van hetgeen wordt gezonden. Het mannelijk lidwoord verbuigt tot ‘den’. Merk op dat de naamvalsvorm zelve de betrekking uitdrukt, waardoor het voorzetsel ‘aan’ overbodig is)
    4. “de overlopers” / “de legerplaats” (tweemaal vertegenwoordigd: ten eerste als lijdend voorwerp en ten tweede als richtingsaccusatief)
    5. “O wapenbroeder” (de toegesprokene wordt rechtstreeks aangeroepen, hier verstevigd door het tussenwerpsel ‘o’. De vorm valt samen met den nominatief en staat buiten het zinsverband)
    6. “van den velde” (het punt vanwaar de beweging aanvangt. Het onzijdig woord ‘veld’ krijgt de uitgang ‘-e’)
    7. “te Leiden” (de ligging der legerplaats. Het plaatsbepalende voorzetsel ’te’ is de vaste drager van deze taak bij plaatsnamen)
    8. “met verzegelden brieven” (de brieven vergezellen de zending als werktuig van den vorstelijken wil. Uitgedrukt door derden naamval meervoud, herkenbaar aan de buigingsuitgang -en op ‘verzegelden’)

    Naar een herleving?

    Hoe sierlijk, deftig of statig de naamvallen ook kunnen overkomen, zijn zij helaas onafscheidelijk van vormelijkheid geworden. Men spreekt immers niet graag meer vormelijk; dit is eenvoudigweg niet langer in zwang. Zo is het dan ook onwaarschijnlijk dat naamvalsbeziging ooit weer gangbaar wordt.

    Niettemin, zolang de middelen voorhanden zijn om dien ‘drempel’ te verlagen, is de kans dat onze naamvallen voor eeuwig afwezig zullen blijven, wellicht ook geringer. Zodoende heeft het ZLL nu ook ene bladzijde die hieraan is gewijd: Woordenlijst: Naamvallen.

    Hoogachtend,
    C. J. Righart
    ᛞᚳ᛬ᚹᛠᚱᛞᚳᚾᚪᚱ

  • Een Hof, Twee Leden

    Een Hof, Twee Leden

    Waarde lezer(es),

    het Nederlands: schoon en rijk, doch bijwijlen vermoeiend en ingewikkeld. Inzonderheid als het om onze lidwoorden gaat, welke op het oog lukraak van den regel lijken af te wijken, maar er is geen sprake van willekeur. Achter iedere geheimenis schuilen een regel en een herkomst.

    Zoals het geval is met het zelfstandig naamwoord hof, waarvan de betekenis op grond van het lidwoord verandert:

    • de hof – mannelijk
    • het hof – onzijdig

    De Groene Plek bij den Huize

    De hof is, in zijne oudste en tastbaarste gesteldheid, de besloten gaarde, het omheinde erf, de groene plek bij den huize. Eeuwenlang heeft het in dezen zin door geheel het taalgebied geleefd, waar men in den hof wandelt en er de vruchten des hofs plukt.

    Voorbeelden:

    • de lusthof | sierlijke gaarde; oord van zaligheid
    • de kruidhof | waar kruiden worden geteeld
    • de moeshof | waar groenten en eetbare gewassen worden geteeld
    • de rozenhof | waar rozen in menigte bloeien
    • de bloemenhof | waar allerlei bloemen prijken
    • de boomhof | hetzelfde als boomgaard
    • de keukenhof | waarin groenten en kruiden ten dienste der keuken worden geteeld – niet te verwarren met de Keukenhof (bloemenpark nabij Lisse)

    Van de Aarde naar den Troon

    Toen het woord van het groene erf oversloeg naar de woonstede des vorsten, en naar al wat hem omringde, nam het woord het onzijdige geslacht aan, waardoor hof steeg van de aarde naar den troon. In dezen verheven staat heeft het hof niets van zijne levenskracht verloren en is heden even gangbaar als immer.

    Voorbeelden:

    • het gerechtshof | hoog rechtsprekend lichaam
    • het leenhof | het oude lichaam voor leenrechtelijke zaken
    • het prinsenhof | verblijf eens prinsen – niet te verwarren met de Prinsenhoven (vorstelijke verblijven te Delft en Groningen)
    • het begijnhof | woonplaats ener begijnengemeenschap

    De Tweeslachtige Gedaante

    Er is ook nog een derde afdeling, welke zowel een mannelijke als onzijdige gedaante omvat. Woorden die naar hunne betekenis thuishoren bij der gaarde en de besloten ruimte der eerste afdeling—een begraafgrond, een dwaalaanleg, een besloten woonerf—doch die naar hun geslacht vaak onzijdig worden gebezigd, ofwel naast, ofwel geheel in plaats van het mannelijke geslacht.

    Voorbeelden:

    • de/het binnenhof | omsloten plein of open ruimte binnen de wanden eens gebouws – niet te verwarren met het Binnenhof (zetel der Staten-Generaal)
    • de/het buitenhof | landgoed of hofstede buiten de stad gelegen – niet te verwarren met het Buitenhof (plein te ‘s-Gravenhage)
    • de/het kerkhof | besloten begraafgrond bij of rondom een kerk (heden ten dage in het Groene Boekje enkel onzijdig)
    • de/het doolhof | omheinde aanleg vol dwaalwegen
    • de/het voorhof | voorruimte

      Toegift: des hoves / des hofs

      De tweede naamval van hof kent zowel hoves als hofs, maar zoals Connor MacLeod ooit zei: “er kan er maar één zijn (die standaard zou moeten gelden in het Zaakwoordenboek der Lage Landen).”

      Hoves ademt enen Middelnederlandsen geest en valt dus in den smaak van het ZLL. Daarentegen lijkt hofs vaker voor te komen in het Nieuwnederlands, en is daarnaast door de Statenvertaling gestaafd.

      Een verstrikking, maar de oplossing ligt in de vergelijking. Het zelfstandig naamwoord graf is namelijk ene beslissende evenknie, waarbij de derde naamval den grave luidt, doch de tweede des grafs. Een gespleten stelsel toepassen is dus niet nieuw in het Nieuwnederlands en geeft hier ruimte voor de bepaling.

      Zodoende is het des hofs geworden, maar des hoves zal niettemin een warm hart worden toegedragen.

      Hoogachtend,
      C. J. Righart
      ᛞᚳ᛬ᚹᛠᚱᛞᚳᚾᚪᚱ

      Hof

      Mannelijk zelfstandig naamwoord

      1. Omheind stuk gronds waarop bloemen, kruiden, groenten of vruchtbomen geteeld worden; tuin, gaard. Aldus ook in verheven taal: de hof van Eden, de hof van Getsemane.
      2. Omsloten erf of binnenplaats bij enen huize, ene kerk of een klooster.
      3. Gewestelijk: boerenhoeve met het bijbehorende land; hofstede.

      Onzijdig zelfstandig naamwoord

      1. Woonstede eens vorsten met alles wat daartoe behoort; tevens: de vorst zelf met zijnen gevolge en zijne hofhouding.
      2. Rechtsprekend lichaam van hogeren rang, zoals in de benamingen gerechtshof en Hof van Justitie.
      3. In de vaste verbinding het hof maken: iemand met hoofse beleefdheden vereren, in het bijzonder een vrouw met minnend oogmerk.

      ‘hof’ op het Zaakwoordenboek der Lage Landen