Een Hof, Twee Leden

Nieuws Onzer Taal 52

656 woorden
3–4 minuten

Waarde lezer(es),

het Nederlands: schoon en rijk, doch bijwijlen vermoeiend en ingewikkeld. Inzonderheid als het om onze lidwoorden gaat, welke op het oog lukraak van den regel lijken af te wijken, maar er is geen sprake van willekeur. Achter iedere geheimenis schuilen een regel en een herkomst.

Zoals het geval is met het zelfstandig naamwoord hof, waarvan de betekenis op grond van het lidwoord verandert:

  • de hof – mannelijk
  • het hof – onzijdig

De Groene Plek bij den Huize

De hof is, in zijne oudste en tastbaarste gesteldheid, de besloten gaarde, het omheinde erf, de groene plek bij den huize. Eeuwenlang heeft het in dezen zin door geheel het taalgebied geleefd, waar men in den hof wandelt en er de vruchten des hofs plukt.

Voorbeelden:

  • de lusthof | sierlijke gaarde; oord van zaligheid
  • de kruidhof | waar kruiden worden geteeld
  • de moeshof | waar groenten en eetbare gewassen worden geteeld
  • de rozenhof | waar rozen in menigte bloeien
  • de bloemenhof | waar allerlei bloemen prijken
  • de boomhof | hetzelfde als boomgaard
  • de keukenhof | waarin groenten en kruiden ten dienste der keuken worden geteeld – niet te verwarren met de Keukenhof (bloemenpark nabij Lisse)

Van de Aarde naar den Troon

Toen het woord van het groene erf oversloeg naar de woonstede des vorsten, en naar al wat hem omringde, nam het woord het onzijdige geslacht aan, waardoor hof steeg van de aarde naar den troon. In dezen verheven staat heeft het hof niets van zijne levenskracht verloren en is heden even gangbaar als immer.

Voorbeelden:

  • het gerechtshof | hoog rechtsprekend lichaam
  • het leenhof | het oude lichaam voor leenrechtelijke zaken
  • het prinsenhof | verblijf eens prinsen – niet te verwarren met de Prinsenhoven (vorstelijke verblijven te Delft en Groningen)
  • het begijnhof | woonplaats ener begijnengemeenschap

De Tweeslachtige Gedaante

Er is ook nog een derde afdeling, welke zowel een mannelijke als onzijdige gedaante omvat. Woorden die naar hunne betekenis thuishoren bij der gaarde en de besloten ruimte der eerste afdeling—een begraafgrond, een dwaalaanleg, een besloten woonerf—doch die naar hun geslacht vaak onzijdig worden gebezigd, ofwel naast, ofwel geheel in plaats van het mannelijke geslacht.

Voorbeelden:

  • de/het binnenhof | omsloten plein of open ruimte binnen de wanden eens gebouws – niet te verwarren met het Binnenhof (zetel der Staten-Generaal)
  • de/het buitenhof | landgoed of hofstede buiten de stad gelegen – niet te verwarren met het Buitenhof (plein te ‘s-Gravenhage)
  • de/het kerkhof | besloten begraafgrond bij of rondom een kerk (heden ten dage in het Groene Boekje enkel onzijdig)
  • de/het doolhof | omheinde aanleg vol dwaalwegen
  • de/het voorhof | voorruimte

    Toegift: des hoves / des hofs

    De tweede naamval van hof kent zowel hoves als hofs, maar zoals Connor MacLeod ooit zei: “er kan er maar één zijn (die standaard zou moeten gelden in het Zaakwoordenboek der Lage Landen).”

    Hoves ademt enen Middelnederlandsen geest en valt dus in den smaak van het ZLL. Daarentegen lijkt hofs vaker voor te komen in het Nieuwnederlands, en is daarnaast door de Statenvertaling gestaafd.

    Een verstrikking, maar de oplossing ligt in de vergelijking. Het zelfstandig naamwoord graf is namelijk ene beslissende evenknie, waarbij de derde naamval den grave luidt, doch de tweede des grafs. Een gespleten stelsel toepassen is dus niet nieuw in het Nieuwnederlands en geeft hier ruimte voor de bepaling.

    Zodoende is het des hofs geworden, maar des hoves zal niettemin een warm hart worden toegedragen.

    Hoogachtend,
    C. J. Righart
    ᛞᚳ᛬ᚹᛠᚱᛞᚳᚾᚪᚱ

    Hof

    Mannelijk zelfstandig naamwoord

    1. Omheind stuk gronds waarop bloemen, kruiden, groenten of vruchtbomen geteeld worden; tuin, gaard. Aldus ook in verheven taal: de hof van Eden, de hof van Getsemane.
    2. Omsloten erf of binnenplaats bij enen huize, ene kerk of een klooster.
    3. Gewestelijk: boerenhoeve met het bijbehorende land; hofstede.

    Onzijdig zelfstandig naamwoord

    1. Woonstede eens vorsten met alles wat daartoe behoort; tevens: de vorst zelf met zijnen gevolge en zijne hofhouding.
    2. Rechtsprekend lichaam van hogeren rang, zoals in de benamingen gerechtshof en Hof van Justitie.
    3. In de vaste verbinding het hof maken: iemand met hoofse beleefdheden vereren, in het bijzonder een vrouw met minnend oogmerk.

    ‘hof’ op het Zaakwoordenboek der Lage Landen