Waarde lezer(es),
in de vorige uitgave van Nieuws Onzer Taal (nr. 52) speelde ik met iets meer naamvalsbeziging dan gewoonlijk. Doch ik blijf zoeken naar een evenwicht waarbij de zin een verheven gesteldheid geniet in plaats van een tergende – sierlijkheid zonder loomheid.
Tijd voor uitleg, tijd voor naamvallen.
Uitzonderlijk verzorgde schrijftaal
Toen naamvallen een grotere rol kregen op het Zaakwoordenboek der Lage Landen, had ik deze aanhaling op WikiWoordenboek in gedachten:
“Het verdwijnen van deze [verbogen] vormen is geleidelijk gegaan en niet voor alle vormen in hetzelfde tempo. Het stelselmatig toepassen ervan lijkt bovendien altijd meer iets uit zeer verzorgde schrijftaal te zijn geweest.”
WikiWoordenboek
Gelet op de ingewikkeldheid onzes naamvalsstelsels is dit een begrijpelijke aanmerking, doch het is bij onze oosterburen niet verloren gegaan, zodat er grond is om te stellen dat het in beginsel wel kan.
Wat de werkelijke reden ook moge zijn, ik heb dit denkbeeld nooit uit mijne gedachten kunnen bannen: ‘zeer verzorgde schrijftaal’. Dit is namelijk het ware doel. De verwezenlijking des volmaakten Nederlandsen zins, ofwel het streven daarnaar.
(Aangezien “zeer” een kwalijke gevoelswaarde met zich meebrengt, laten wij liever zeggen: uitzonderlijk verzorgde schrijftaal.)
Elke naamval bij name
Om te beginnen, wat is dan die naamval? Om mijn eigen zaakwoordenboek kortweg aan te halen:
“Elk der onderscheiden gedaanten welke een naamwoord, voornaamwoord of bijvoeglijk naamwoord aanneemt naar gelang zijner betrekking binnen den zin.”
Zaakwoordenboek der Lage Landen
Of anders gezegd: het betreft hoe naamwoorden van vorm veranderen naar den naamval die van toepassing is.
Het voordeel der toepassing is dat naamvallen enen nauwkeurigere en bondigere zin bewerken. Het nadeel is dat, als men hen niet kent, de zin haast onbegrijpelijk kan overkomen.
Zie hieronder een opsomming aller naamvallen. Hoewel de eerste, tweede en vierde nog bekend zijn, telt de lijst niet minder dan acht. Van dezen dient te worden gemeld dat de zesde, zevende en achtste als het ware mijne uitbreidingen op het Nederlands zijn, daar het Germaans deze naamvallen reeds vroeg met andere had doen samenvallen.
- De eerste naamval (nominatief) duidt het onderwerp aan (datgene waarover de zin iets zegt).
- De tweede naamval (genitief) drukt bezit, oorsprong of betrekking uit (zoals bijvoorbeeld des konings, der vrouw).
- De derde naamval (datief) wijst het meewerkend voorwerp aan (degene aan wie iets geschiedt of ten deel valt).
- De vierde naamval (accusatief) benoemt het lijdend voorwerp (datgene waarop de handeling rechtstreeks betrekking heeft).
- De vijfde naamval (vocatief) is de naamval der aanspraak, waarmee men iemand rechtstreeks toeroept.
- De zesde naamval (ablatief) duidt herkomst of verwijdering aan: het punt waarvan iets zich verwijdert of waaruit iets voortkomt.
- De zevende naamval (locatief) bepaalt de vaste plaats waar iets zich bevindt of geschiedt.
- De achtste naamval (instrumentalis) benoemt het middel of werktuig waarmee een handeling wordt verricht.
De buiging in het werk
Iedere naamval bespreken met een rist aan voorbeelden zal dit schrijfsel langer maken dan nodig, laat ons derhalve iedere naamval in enen zin voorkomen:
„O wapenbroeder, de vorst zendt den bevelhebber de overlopers des vijands met verzegelden brieven van den velde naar de legerplaats te Leiden.”
In hedendaags, onverbogen Nederlands luidt de zin als volgt: „Wapenbroeder, de vorst stuurt de overlopers van de vijand met verzegelde brieven van het veld naar de legerplaats in Leiden, aan de bevelhebber.”
Als wij de voorbeeldzin ontleden, voor iedere naamval, onderscheidenlijk:
- “de vorst” (de vorst is degene die de handeling van het zenden verricht. Het lidwoord blijft onverbogen: de)
- “des vijands” (het zijn de overlopers van den vijand. Het mannelijk lidwoord wordt ‘des’ en het zelfstandig naamwoord krijgt de uitgang ‘-s’)
- “den bevelhebber” (de bevelhebber is de ontvanger van hetgeen wordt gezonden. Het mannelijk lidwoord verbuigt tot ‘den’. Merk op dat de naamvalsvorm zelve de betrekking uitdrukt, waardoor het voorzetsel ‘aan’ overbodig is)
- “de overlopers” / “de legerplaats” (tweemaal vertegenwoordigd: ten eerste als lijdend voorwerp en ten tweede als richtingsaccusatief)
- “O wapenbroeder” (de toegesprokene wordt rechtstreeks aangeroepen, hier verstevigd door het tussenwerpsel ‘o’. De vorm valt samen met den nominatief en staat buiten het zinsverband)
- “van den velde” (het punt vanwaar de beweging aanvangt. Het onzijdig woord ‘veld’ krijgt de uitgang ‘-e’)
- “te Leiden” (de ligging der legerplaats. Het plaatsbepalende voorzetsel ’te’ is de vaste drager van deze taak bij plaatsnamen)
- “met verzegelden brieven” (de brieven vergezellen de zending als werktuig van den vorstelijken wil. Uitgedrukt door derden naamval meervoud, herkenbaar aan de buigingsuitgang -en op ‘verzegelden’)
Naar een herleving?
Hoe sierlijk, deftig of statig de naamvallen ook kunnen overkomen, zijn zij helaas onafscheidelijk van vormelijkheid geworden. Men spreekt immers niet graag meer vormelijk; dit is eenvoudigweg niet langer in zwang. Zo is het dan ook onwaarschijnlijk dat naamvalsbeziging ooit weer gangbaar wordt.
Niettemin, zolang de middelen voorhanden zijn om dien ‘drempel’ te verlagen, is de kans dat onze naamvallen voor eeuwig afwezig zullen blijven, wellicht ook geringer. Zodoende heeft het ZLL nu ook ene bladzijde die hieraan is gewijd: Woordenlijst: Naamvallen.
Hoogachtend,
C. J. Righart
ᛞᚳ᛬ᚹᛠᚱᛞᚳᚾᚪᚱ












